Beer

Ik heb een knuffelbeer. Hij is groen en ik heb ‘m al zo’n 20 jaar. Hij ligt in mijn bed en reist altijd met me mee. Van Nederland naar Portugal en terug, naar m’n ouders als ik daar ga logeren. En nu niet lachen, maar voordat ik ga slapen leg ik ‘m zo neer dat z’n arm op mijn kussen ligt en dat ie kan ademen. Echt waar…

In deze rare tijd, waarin we door het coronavirus thuis moeten blijven en bij niemand op bezoek mogen, ben ik soms verdrietig. Omdat ik mijn ouders mis, m’n familie, m’n beste vriendin. Omdat ik me zorgen maak. Omdat ik m’n hoofd niet kan laten stoppen met piekeren.

En dan ga ik naar bed en daar is beer. Hij ruikt naar mij. En ongetwijfeld naar tandpasta en nachtcrème en ook een beetje naar tranen. Voordat ik het licht uitdoe krijgt hij een knuffel van me. En als ik midden in de nacht wakker schrik door een enge droom, dan hou ik ‘m vast en word ik weer rustig.

Veel van onze gasten hebben ook een knuffelbeer. Of een ander beest. Of een heleboel die op een bepaalde volgorde in een rijtje op hun bed moeten staan. Anders kunnen ze niet slapen. Vaak hebben ze namen en er zit altijd een verhaal aan vast. Die van mij heeft geen naam (nou ja, hij heet gewoon beer…), maar wel een verhaal.

Ik wens iedereen een beer toe. Voor de slapeloze nachten. Voor het verdriet en het onbegrip. Voor het missen. Voor het gepieker. Voor de enge dromen. En voor de hoop dat dit alles snel weer over gaat. Zodat we weer kunnen knuffelen met de mensen van wie we houden. Want, en nou hoop ik niet dat ik mijn beer beledig, dat is toch het allerfijnste.